Twintig pakken zakken. Kan u me helpen? En lachend gierend de trein op. Een brede lach deed me tintelen. Ze plaagde haar mama. Buiten adem in de stoel zakkend sloot de moeder haar ogen even. Wilt Sofieke het jasje uit? Sofieke wijgerde zonder woorden en speelde met de knippertjes. Ze staarde me aan. Vond ze het vreemd dat ik lachtte? Of vond ze dat net leuk?
Ik vroeg of ze een weekendje weg gingen.
Nee. Twee weken. Of een maand. We weten het nog niet. We zijn even moeten vluchten, andere oorden opzoeken...
En toen zag ik angst in haar ogen. Snel lachtte ze dat weer weg.
Ik wist niet wat te zeggen en dus staarde ik maar naar het voorbij zoevende witte landschap. Sofie keek ook. En ze leunde tegen haar mama aan. Je kon het niet aan haar zien. Ze deed zo goed haar best. De hele tijd stil. Alleen haar vingers die vreemde gedwongen bewegingen maakte verraade haar geschenk. Ze gaf haar mama een kus. En lachtte. Ze keek diep in haar ogen alsof daar een hele wereld verborgen lag. De problemen leken verdwenen.
Ik stopte mijn papieren weg. We komen aan in Leuven. De studentenstad, zei Meneer. Veel succes.
No comments:
Post a Comment