Er stapt een man op de bus. Nummer 45. Een slobbertrui en een zakje met lege blikjes bier. Hij nam een nevel mee, een stikkend gas. Iedereen die rond hem was, al dronken zonder drinken.
Ik kijk,verbitterd, verafschuwend,beh zo lelijk.
Als ik me fronsen voelde dacht ik hetzelfde over mij. Ja ik! Ik ben het toch! Dit was niet wat ik bedoelde!
Ik kan me ook zorgen maken over hem. Hoe hij zo eindigde of hoe zijn verhaal nog moest beginnen. Maar ik waagde niet mijn mond te openen. "Dus deed hij het maar. Philips Elekteronika, dat is me toch allemaal iets daarmee he Juffrouw. Wat toch allemaal gebeurt" Gewoon lachen, gewoon lachen en knikken. "Sorry juffrouw ik heb een beetje -wijzend naar zijn zakje-..." En hij lachtte. Mijn brein schreeuwde: "Wilt u hulp meneer? Ik wil helpen Meneer!" Als ooit een keer, een mens dat zei. En hij mompelt wat. "Ja, dat leren ze u op de uuuuniveresiteit wel niet". En hij lachtte weer schokkend.
Helpt praten Al? Helpt vragen al? Over hoe hij zo geëindigd is en waarom hij nu niet beter kan.
Het antwoord weet ik al. En toch laat ik mijn tong niet spreken.
Ik staar recht voor me uit en snuif nog wat van die nevel op terwijl de bus zijn route volgt.
"Nog een fijne dag juffrouw" En hij bleef staan op zijn plekje en zette het gesprek met zichzelf voort.
Ja Meneer, bedankt voor uw dronken wijsheid. We leven net als op een bus. Je laten meeslepen en een route volgen die je al honderd keer hebt gedaan. Denken doe je niet meer en je laat je achterlijke zelf naar voren komen in stereotiep gebrabbel. Zombies.
Vier haltes verder. Hij stapt uit. De mensen ademen weer. Maar ze staren nog steeds met dezelfde blikken.
No comments:
Post a Comment